Laatste nieuws
Meest gelezen
| Gemeente Amsterdam: Ervaringsprofiel voor voortijdig schoolverlaters |
|
|
|
Het project A’dam & Eva-b-c sloot onder het motto Ruim baan voor mijn competenties in het Amsterdamse, technisch beroepsonderwijs goed aan bij dit gemeentelijke beleidskader. Het project startte in augustus 2004 (RPA 2004). Initiatiefnemers waren het Regionaal Platform Arbeidsmarktbeleid Zuidelijk Noord-Holland en de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Amsterdam. De introductie van het competentiegerichte leren en de systematiek van de Erkenning van Verworven Competenties (EVC) in het beroepsonderwijs in de afgelopen jaren leverden zowel de visie als de instrumentatie (Duvekot 2006) voor het project A’dam & Eva-b-c. Met behulp van de EVC-aanpak werd beoogd een sluitende aanpak in het Amsterdamse arbeidsmarktbeleid voor jongeren in de techniek te creëren. De resultaten waarnaar bij aanvang van het project werd gestreefd waren zeer ambitieus:
Gaandeweg werden deze resultaten op basis van de ontwikkelingen in de Amsterdamse praktijk realistischer ingevuld. Het resultaat spitste zich toe op het behalen van winst voor de Amsterdamse, technische arbeidsmarkt en beroepsonderwijs door de aandacht specifiek te richten op verminderen van drop-out in het VMBO en de bevordering van de doorstroom naar niveau 2 van het MBO. Deze resultaten werden ondersteund door de EVC-systematiek en de empowermenttrainingen die door de CH-Q methode werden aangereikt. Het doel van A’dam & Eva-b-c werd daarmee tijdens de rit bijgesteld en afgestemd op het - met gebruik van de innovatieve kracht van het empowerment van de doelgroep en op basis van de EVC-systematiek – behalen van meer effectieve en efficiënte benutting uit de dienstverlenende keten rond de doelgroep. Zo helpt A’dam & Eva-b-c de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren en de vroegtijdige schooluitval in het technisch beroepsonderwijs te verminderen. De eindrapportage van het project laat uitgebreid licht schijnen op alle behaalde resultaten. In het kader van dit onderzoek gaat de aandacht specifiek uit naar de effectiviteit van de EVC-systematiek en het empowerment van de doelgroep op de scholen. Dit onderzoek heeft ten doel te analyseren hoe de waardering van formele, informele en non-formele (binnen- en buitenschoolse) leereffecten binnen de deelnemende scholen vorm krijgt. Op basis van deze analyse kunnen aanbevelingen worden geformuleerd voor de structurele inbedding van deze leereffecten in het beroepsonderwijs via een portfoliogestuurde aanpak. Het gaat vooral om leereffecten die hun weerslag hebben op de functies van het beroepsonderwijs gericht op certificering én loopbaanvorming van de jongeren. Tevens draagt het onderzoek als deelrapportage bij aan de evaluatie en de afronding van het project. Dit onderzoek heeft het karakter van een productbeschrijving, i.c. de specifieke competentiegerichte aanpak die met het oog op de doelgroep van dit project is uitgewerkt met de drie betrokken scholen: Bredero College, Nova College en ROC van Amsterdam. De rapportage kent de volgende opbouw:
|






Met het beleidskader uit 2004 “Ruim baan voor werk” stelde de gemeente Amsterdam zich tot doel de fricties tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt op te helpen lossen (DWI 2004). Ingezet werd op het creëren van meer beweging op de arbeidsmarkt om hiermee de weg vrij te maken voor nieuwe arbeidsplaatsen. Leidende gedachte bij deze inzet was dat meer werkgelegenheid de economische, regionale structuur zou versterken en dat dit op zijn beurt zou leiden tot meer werk.
De doelgroep van jongeren was ofwel aanwezig in het techniekonderwijs (VMBO & MBO) en te boek staand als potentiële drop-out ofwel met een afgebroken techniekopleiding als referentie bij het CWI ingeschreven. Beoogd werd beide groepen te benaderen via scholen en CWI en hun via een werkplekgerichte aanpak te behouden of te interesseren voor de techniek. Daarnaast werd ook ingezet op het creëren van meer beweging op de arbeidsmarkt bij werkenden, door hun via EVC op te scholen naar een hoger niveau, om hiermee de weg vrij te maken voor nieuwe arbeidsplaatsen of – op z’n minst – leerwerk-plekken voor de beide doelgroepen van het project. Zo zouden bestaande fricties tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt deels opgelost kunnen worden. Het was daarbij belangrijk het onderwijs te laten aansluiten op de behoeften van de arbeidsmarkt. Ook was van belang te constateren dat leerlingen niet alleen op school leren maar aan te sluiten bij allerlei buitenschoolse leerervaringen. Veel vaardigheden, bijvoorbeeld sociale vaardigheden, leren leerlingen buiten de school, vooral op de werkplek. Tussen alle bestaande leertrajecten was het daarom noodzakelijk een systeem, een innovatief concept te introduceren dat aansloot bij het leren in vooral buitenschoolse situaties en dat de noodzakelijke erkenning kon geven voor werk en/of vervolgopleidingen. Het ging hierbij om leerlingen die nog geen startkwalificatie bezaten en vroegtijdig de school dreigden te verlaten en om jongeren die reeds waren uitgevallen maar die met een werkplekgerichte aanpak opnieuw te motiveren zouden zijn om hun opleiding op te pakken en af te maken.